Sɛ·bɪs·mə

Een logische en consequente visie op de wereld en het leven



Vrije wil: een argument voor het bestaan van de ziel

2 juni
2011

Vrije wil is het vermogen van mensen om autonoom keuzes te maken en handelingen uit te voeren. Het bestaan ervan is onderwerp van debat: hoewel de gewaarwording van vrije wil niet ontkend kan worden, zou dit ook een door het brein gecreëerde illusie kunnen zijn. De vraag of vrije wil bestaat is mogelijk niet te beantwoorden, maar wel kunnen de consequenties van het hypothetische bestaan ervan worden verkend. Het blijkt dat vrije wil in strijd is met de algemeen geaccepteerde aanname dat de mens uit enkel materie bestaat en alleen kan bestaan als de mens een immateriële ziel bezit.

1. Materie en natuurkrachten

Het menselijk brein bestaat uit ongeveer honderd miljard zenuwcellen (neuronen), die via lange uitlopers (axonen en dendrieten) met elkaar in verbinding staan. Tezamen vormen al deze neuronen een verbazingwekkend complex netwerk waar fascinerende hersenfuncties uit voortkomen, maar feitelijk gezien betreft het, op elementair niveau, ‘slechts’ een zekere rangschikking van materie. Ieder neuron is immers opgebouwd uit atomen, en met voldoende kennis en vaardigheden kan een neuron probleemloos gekopieerd worden door gelijksoortige atomen in exact dezelfde rangschikking te plaatsen.

Net als alle andere materie in het universum, staat ook de materie in een neuron onder invloed van een aantal fundamentele natuurkrachten, namelijk de sterke kernkracht, de elektromagnetische kracht, de zwakke kernkracht en de zwaartekracht. Deze krachten zijn universeel en onverbiddelijk, waardoor het effect ervan ten alle tijden volledig voorspelbaar is. Een bal op een helling zal bijvoorbeeld, onder invloed van de zwaartekracht, altijd naar beneden rollen. Rangschikking van materie A, waarbij de bal zich op een zekere locatie op de helling bevindt, leidt daardoor altijd tot rangschikking B, waarbij de bal zich lager op de helling bevindt. Gegeven de rangschikking van materie en de krachten die op dat moment aangrijpen, kan iedere rangschikking van materie slechts leiden tot één enkele volgende rangschikking.

Als het brein enkel uit materie bestaat, en de natuurkrachten die op deze materie inwerken universeel en onverbiddelijk zijn, dan zal ook in het brein een zekere rangschikking van materie altijd leiden tot een volgende, compleet voorspelbare rangschikking. De ontstane rangschikking leidt vervolgens, nog steeds onder invloed van dezelfde natuurkrachten, tot de rangschikking die daar logischerwijs op volgt, en zo volgen de rangschikkingen elkaar. In dit proces is geen enkele plek voor een vrije wil. Net als een bal op een helling altijd naar beneden rolt en niet kan ‘kiezen’ tussen de opties ‘omhoog’ en ‘omlaag’, zo volgt uit rangschikking van materie in de hersenen A altijd rangschikking B, zonder de mogelijkheid voor een keuze tussen een rangschikking B1 en B2.

2. Vrije wil als illusie

In een materieel brein moet het bestaan van een vrije wil dus worden uitgesloten. De exacte rangschikking van atomen in een brein, de plek op aarde waar het bijbehorende lichaam zich bevindt en alle overige karakteristieken van de huidige staat van het universum hadden miljarden jaren geleden al berekend kunnen worden aan de hand van de toenmalige rangschikking van atomen en de aanwezige natuurkrachten. Bovendien kan aan de hand van de huidige positie en oriëntatie van alle atomen in het universum berekend worden waar ieder deeltje zich over tien jaar zal bevinden, dus staat ook de toekomstige samenstelling van ieder brein, de plek op aarde waar ieder lichaam zich zal bevinden en de handelingen die zij op dat moment zullen uitvoeren, nu al volledig vast.

Als de toekomst vaststaat, dan is de keuzevrijheid die het individu denkt te ervaren als hij voor een beslissing staat slechts een illusie. Ver van te voren kan immers al berekend worden of hij op een zeker kruispunt naar links of rechts zal gaan, zelfs als het individu zelf nog in dubio denkt te zijn of nog niet eens van het bestaan van het kruispunt op de hoogte is. Bovendien volgt daaruit dat geen enkele handeling werkelijk ‘vrijwillig’ is: op het moment van handelen denkt het individu wel dat hij daar uit eigen initiatief voor kiest, maar feitelijk is ook dit een door het brein gecreëerde illusie en was niet-handelen of het uitvoeren van een andere handeling nooit een optie.

3. Toeval

In het voorafgaande zijn twee aannames gedaan: namelijk (1) dat de mens is opgebouwd uit dezelfde materiële elementen als de rest van het universum en (2) dat de natuurkrachten die op deze materie inwerken gegeven een bepaalde beginsituatie altijd dezelfde eindsituatie tot gevolg zullen hebben. Er zijn echter aanwijzingen dat op kwantumniveau natuurkrachten niet deterministisch en voorspelbaar zijn, maar stochastisch (onderworpen aan een waarschijnlijkheidsverdeling) en dus (in ieder geval schijnbaar) willekeurig. Daaruit volgt dat het bestaan van ‘toeval’ mogelijk zou kunnen zijn en vervalt de tweede aanname die stelt dat alle natuurkrachten die op materie inwerken onbuigbaar zijn. De toekomst is in dat geval, zelfs voor iemand die kennis heeft van de huidige positie en oriëntatie van alle atomen in het universum, niet te voorspellen.

Het bestaan van stochastische natuurkrachten verandert echter niets aan de veronderstelde afwezigheid van vrije wil. Als rangschikking van materie in de hersenen A leidt tot rangschikking B1 of B2 afhankelijk van toeval, dan heeft het individu nog steeds geen keuzemogelijkheid. Zelf heeft hij immers geen invloed op de rangschikking waarin de materie zich zal gaan bevinden.

4. Immateriële elementen

Vrije wil kan niet bestaan in een brein dat is opgebouwd uit enkel materie, ook als er naast onbuigzame natuurwetten ruimte bestaat voor waarschijnlijkheid en toeval. Hieruit volgt dat vrije wil alleen mogelijk is als er een immaterieel element wordt geïntroduceerd. Als dit element zou ontbreken, dan zou iedere gedachte en iedere handeling immers een logisch of toevallig gevolg zijn van de manier waarop materie in het verleden gerangschikt was, zonder dat het individu daar invloed op kan uitoefenen.

4.1. Gedachten

Over de aard van het immateriële element dat voorwaarde is voor het bestaan van vrije wil kunnen een aantal zaken vastgesteld worden. Zo kan het geen voortvloeisel zijn van het materiële brein, waardoor zelfbewustzijn en de gedachten waaruit het zelfbewustzijn is opgebouwd afvallen als kandidaten. Een gedachte zou immers als product gezien kunnen worden van een bepaalde rangschikking van materie in de hersenen, en een zekere rangschikking zal daardoor altijd dezelfde gedachte tot gevolg zal hebben. (Tenzij uiteraard toevalsprocessen een rol spelen: in dat geval is een andere gedachte mogelijk, maar het individu heeft daar geen invloed op.) Stel dat deze immateriële gedachte vervolgens de rangschikking van materie kan beïnvloeden, dan is het alsnog de rangschikking van de materie die de gedachte in de eerste instantie voort heeft gebracht die aan de basis staat van de nieuwe rangschikking. Het resultaat is daardoor alsnog een compleet voorspelbare rangschikking, afhankelijk van de rangschikking van materie op het vorige moment.

In andere woorden: rangschikking A leidt, als er geen gedachte vrijkomt, direct tot rangschikking B. Als rangschikking A wel een gedachte tot gevolg heeft, zal dit altijd gedachte A zijn, en in dat geval leidt ofwel rangschikking A, ofwel gedachte A, ofwel een combinatie van beide, tot rangschikking B. Rangschikking B leidt vervolgens, direct of indirect na tussenkomst van gedachte B, tot rangschikking C, enzovoorts. Zolang het hele proces haar basis heeft in materie en enkel door natuurkrachten en toeval wordt gedreven, heeft de tussenkomst van een immateriële gedachte, zelfs als deze vervolgens in staat is om materie te beïnvloeden, geen vrije wil tot gevolg. De uitkomst van de cascade waarin rangschikking en gedachte elkaar afwisselen, staat vanaf een gegeven materiële beginsituatie volledig vast.

4.2. Goddelijke entiteit

Het immateriële element dat voorwaarde is voor het bestaan van vrije wil kan bovendien ook geen goddelijke entiteit buiten de mens zijn. Als vrije wil bestaat, dan zou rangschikking A of de gedachte A die daaruit voortkomt niet onverbiddelijk leiden tot rangschikking B en gedachte B, maar bepaalt proces X of de materie zich op het volgende moment zal bevinden in rangschikking B1 met gedachte B1 of rangschikking B2 met gedachte B2. Als X daarbij een goddelijke ingreep betreft, volgt daaruit dat niet de mens een vrije wil heeft en zelfstandig beslissingen kan maken, maar een godheid alle touwtjes in handen heeft. In dat geval heeft een mens nog steeds geen enkele keuzevrijheid: al zijn handelingen en gedachten worden immers bepaald door ofwel natuurwetten, ofwel toeval, ofwel een godheid.

4.3. Ziel

De enige manier om het bestaan van vrije wil te rechtvaardigen is door een immaterieel element te introduceren dat enerzijds voor haar bestaan niet afhankelijk is van de materie van het lichaam, maar anderzijds wel een onderdeel uitmaakt van het wezen van het individu. De term ‘ziel’ lijkt daarbij van toepassing, maar daarbij moet wel worden uitgegaan van haar basale betekenis van ‘onstoffelijk deel van de mens’, exclusief alle culturele, religieuze en waarschijnlijk veelal onjuiste associaties die er in de loop der eeuwen aan verbonden zijn geraakt.

In tegenstelling tot de onbuigzame natuurkrachten, die vanuit een gegeven beginsituatie altijd tot dezelfde, voorspelbare eindsituatie leiden, kan met de ziel voor een bepaalde eindsituatie worden ‘gekozen’. Rangschikking A zou daardoor onder invloed van de ziel net zo gemakkelijk kunnen leiden tot rangschikking B1 als tot rangschikking B2. De ziel is bovendien oorzaak van zichzelf: ze bestaat niet uit materie en haar bestaan wordt ook niet door materie veroorzaakt. Haar ´beslissingen´ zijn daardoor niet afhankelijk van de samenstelling van het brein, het lichaam, of enig ander object in het universum.

5. Conclusie

Een combinatie van materie en onverbiddelijke natuurkrachten leidt tot een compleet voorspelbaar en vaststaand universum, waarin op ieder moment in de tijd slecht één rangschikking van materie mogelijk is. Als ook stochastische krachten een rol spelen, dan zijn er voor ieder moment meerdere rangschikkingen mogelijk. Welke rangschikking werkelijkheid wordt is, in dat geval afhankelijk van toeval. Het bestaan van vrije wil, het vermogen van de mens om tussen verschillende opties te kunnen kiezen, is alleen mogelijk als er naast materie ook een niet-materieel element wordt geïntroduceerd. Voorwaarde is dat dit element voor haar bestaan niet afhankelijk is van materie, maar wel een onderdeel uitmaakt van het wezen van het individu. Wie dus wil geloven in vrije wil, wie wil geloven dat hij zelf zijn leven richting kan geven, het heden kan beïnvloeden en daardoor een deel van de toekomst kan bepalen, zal dus moeten geloven in een ziel.

6. Geraadpleegde bronnen

nl.wikipedia.org/wiki/Fundamentele_natuurkracht
nl.wikipedia.org/wiki/Vrije_wil
nl.wikipedia.org/wiki/Zenuwcel

geplaatst onder Filosofie
5 reacties op

“Vrije wil: een argument voor het bestaan van de ziel”

  1. Op 19 maart 2012 om 12:23 schreef Charles:

    Bedoelen we met ziel, geest ed. niet gewoon bewustzijn? De bewustzijnscapaciteit lijkt zo enorm klein van omvang dat het alleen al om die reden onlogisch lijkt te denken dat we het zelf ‘allemaal’ voor het zeggen hebben.

    Bestaat er bewijs voor een ‘ziel’ zoals u die voorstelt? Zoniet, proberen we dan het probleem van het wel/niet bestaan van de vrije wil te bewijzen met een ander fenomeen (de ziel) waarvan het bestaan ook niet aantoonbaar is?

    Andere insteek: Is het geloof in een vrije wil niet zoiets als geloven in een godsdienst waarvan het er ook op lijkt dat mensen dat alleen kunnen als ze daar talent voor hebben; een netwerk van neuronen ze geschikt maakt om ze in een bepaalde richting te doen denken, in dit geval het bestaan van god?

    Ik wil het mogelijk psychologisch nut van ‘geloven’ niet onderschatten. Alhoewel ook op die gedachte wat al te dingen valt. Mensen die er geen talent voor hebben zullen het immers ook niet missen. Een derde groep is die die er een beetje talent voor heeft, die hebben er eerder last van, vanwege gebrek aan duidelijkheid.

    Wat de vrije wil betreft kunnen we de zaak ook omdraaien. Waar zijn de bewijzen dat ‘ie wel bestaat.

  2. Op 19 maart 2012 om 12:44 schreef Charles:

    Er zit een denkfout in mijn verhaal hierboven. Ik schreef dat ik veronderstelde dat we met de ‘ziel’ het bewustzijn bedoelen. Van die ‘ziel’ meen ik dat deze niet bestaat, twerijl ik hem daarvoor als bewustzijn opvoerde.
    Wat ik bedoelde is dat wat men als ziel opvoert in feite het bewustzijn mee bedoeld wordt. Zoiets als een echte ! ziel bestaat in mijn visie niet.

  3. Op 20 maart 2012 om 00:03 schreef Seb:

    @Charles
    Uiteraard bestaat er geen ‘natuurwetenschappelijk’ bewijs voor het bestaan van de ziel, het is een puur theoretische aanname die gedaan moet worden om vrije wil te kunnen verklaren. Het bestaan van de vrije staat bovendien inderdaad niet vast, maar veel mensen geloven er wel in en gedragen zich er ook naar. Mijn punt is, dat als je de keuze maakt om in vrije wil te geloven, je ook zal moeten geloven in een ziel. De overtuiging dat de vrije wil en de ziel beiden niet bestaan is natuurlijk ook volkomen valide.

  4. Op 4 februari 2013 om 21:13 schreef Jan M te H:

    Seb,
    Alles is één en alles is niet-materie.
    Jij zegt: materie is opgebouwd uit atomen en die weer opgebouwd uit andere elementen enz. Op een gegeven moment houdt het op, want dit kan niet eindeloos zo doorgaan. Uiteindelijk is alles opgebouwd uit niets of uit een gedachte. Mijn redenering is daarom ook dat deze gedachte de illusie heeft geschapen van materie. Wij zijn een hoger bewustzijn van of gebonden aan die materie. Wij leven in die gedachte van materie en ons bewustzijn is beperkt tot alles wat zich daar binnen afspeelt. Vrije wil is dus niet mogelijk in materie of een ziel, maar afhankelijk van het grotere bewustzijn waar alles onderdeel van uitmaakt. Dit grotere bewustzijn schept alles en is alles.
    Vrije wil is een illusie in een illusie.

  5. Op 3 juli 2015 om 16:17 schreef wilfred degens:

    Mijn vrije wil is niets meer dan een zinvolle illusie. Mijn wil wordt grotendeels bepaald door mijn genen, achtergrond, intellectuele en fysieke aanleg en omstandigheden.
    Hoe zou je dan nog mijn wil een vrije kunnen noemen? Ik zie ieders wil als een oorzaak en logische gevolg beslissing iets te doen of juist te laten.

Jouw reactie: