Sɛ·bɪs·mə

Een logische en consequente visie op de wereld en het leven



Nieuwe wetten nooit in strijd met godsdienstvrijheid

22 juni
2011

Als er in de Tweede Kamer wordt gesproken over een eventueel verbod op handelingen of gedragingen die vooral of uitsluitend door de aanhangers van een religie worden verricht, wordt door tegenstanders vaak al snel beweerd dat daarmee het recht op godsdienstvrijheid wordt aangetast. Volgens de Grondwet wordt godsdienstvrijheid echter beperkt door het Wetboek van Strafrecht, waardoor ze per definitie niet kan conflicteren met bestaande en nieuwe wetten.

Het recht op godsdienstvrijheid staat omschreven in het eerste lid van artikel 6 van de Nederlandse Grondwet. “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” In lid 2 wordt daaraan toegevoegd: “De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Grenzen stellen

Ieder mens heeft dus in beginsel de vrijheid om zelf te kiezen al dan niet tot een bepaalde godsdienst toe te treden en deze te praktiseren. Wat betreft het religieuze gedachtegoed spreekt dit voor zich: gedachten en ideeën bevinden in het hoofd van een individu, alwaar ze niet kunnen worden geïnspecteerd, laat staan worden verboden door anderen of een overheid. Het praktiseren van een religie betreft echter handelingen die zich in de maatschappij kunnen manifesteren, waarbij mogelijk de persoonlijke levenssfeer van anderen wordt betreden. Dit zou de vrijheid van anderen kunnen beperken en overlast kunnen veroorzaken, dus om te voorkomen dat religieuzen met een heilig boek in de hand kunnen doen en laten wat ze willen, is er een grens aan godsdienstvrijheid gesteld.

De inperking van godsdienstvrijheid wordt geformuleerd in de zinsnede ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’. Dit betekent dat ook godsdienstige individuen of organisaties zich, net als seculiere individuen en organisaties, dienen te houden aan de Nederlandse wet. Volgens lid 1 van artikel 6 kan de vrijheid om binnen gebouwen en besloten plaatsen godsdienstige handelingen te verrichten enkel worden beperkt in het Wetboek van Strafrecht, en uit lid 2 volgt dat zowel de formele wet als lagere regelingen grenzen mogen stellen aan belijdenis buiten gebouwen en besloten plaatsen. Beperking bij lagere regeling dient daarbij te steunen op een formele wetsbepaling.

Kaders herdefiniëren

Het Wetboek van Strafrecht definieert dus de kaders van grondwettelijke godsdienstvrijheid. Deze kaders betreffen geen eeuwige waarheden: leden van het kabinet en de Tweede Kamer kunnen, bijvoorbeeld naar aanleiding van controverse of recente ontwikkelingen in de samenleving, het initiatief nemen om een wet te introduceren, aan te passen, of af te schaffen. Na invoering van een nieuwe wet, of dit nu een verbod op rituele slacht of een verbod op het dragen van een boerka of hoofddoekje betreft, zijn de kaders van godsdienstvrijheid geherdefinieerd, waardoor een wet per definitie nooit in strijd kan zijn met het recht op godsdienstvrijheid. Bij een discussie over het al dan niet invoeren van een nieuwe wet is artikel 6 daarom feitelijk betekenisloos en het aanhalen ervan zinloos.

Geraadpleegde bronnen

www.ivir.nl/wetten/nl/art6Grondwet.html
nl.wikipedia.org/wiki/Grondrechten
resourcessgd.kb.nl/../SGD_19851986_0007388.pdf
www.wetboek-online.nl/jurisprudentie/ljnBA2013.html
www.zowerkt.nl/../hoe-werkt-het-opstellen-van-wetten

geplaatst onder Politiek
2 reacties op

“Nieuwe wetten nooit in strijd met godsdienstvrijheid”

  1. Op 3 juli 2011 om 02:29 schreef Casper C. Bosveld:

    Ik denk dat in deze post er ernstig geblunderd wordt. Wetten worden getoetst aan de Grondwet. Zo denk ik dat een verbod op het dragen van een hoofddoek geen schijn van kans maakt als de Grondwet niet veranderd wordt, wat nogal wat voeten in aarde heeft. Meer kans maakt een boerkaverbod maar niet als verbod van een religieuze uiting maar uit het oogpunt van veiligheid. Ten eerste plaats is er de beperking van vrij uitzicht voor de dame zelf, wat haar in het verkeer haast hulpbehoevend kwetsbaar maakt, een gevaar voor zichzelf en anderen. Voorts is er de opgelegde beperking bij de deelname aan sportieve activiteiten die tot het normale schoolleven behoren. [..]

    Een andere blunder acht ik het idee dat men pas van godsdienstvrijheid gebruik kan maken indien men tot een bepaalde denominatie toetreedt. Die eis wordt in de Grondwet niet gesteld. Een erkend lidmaatschap van zo’n club is helemaal niet nodig. Het gaat uitsluitend om wat men zegt te geloven en als het niet onder een religie valt is het wel vrijheid van meningsuiting. [..] Overigens telt de open source religie van Yo die zich manifesteert op yo.org meer volgelingen dan de meeste Nederlandse kerken maar van gelijkberechtiging voor de Nederlandse wet is geen sprake. De erkenning van een godsdienst wordt enerzijds vanuit de losse pols en anderzijds volslagen subjectief dor de overheid vastgesteld en dat het imaginaire oog van de virtuele Christus hierbij een stevige vinger in de pap heeft is evident.

    Reactie is ingekort

  2. Op 5 juli 2011 om 03:45 schreef Seb:

    @Casper C. Bosveld
    Wetten worden inderdaad getoetst aan de Grondwet, maar omdat godsdienstvrijheid zoals gedefinieerd in artikel 6 stelt dat een ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet, zal iedere wet per definitie die toets doorstaan. Ook een wet die het dragen van hoofddoekjes verbiedt voor bijvoorbeeld werknemers van overheidsinstellingen, kan (met steun van een democratische meerderheid) probleemloos worden aangenomen. Een moslima die zich beroept op haar godsdienstvrijheid loopt in dat geval aan tegen de zinsnede ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’, waaruit immers blijkt dat zij best de islam mag belijden, maar niet als zij daarmee de wet (die stelt dat zij als werknemer van een overheidsinstelling geen hoofddoekje mag dragen) overtreedt.

    Een lidmaatschap van een religieus instituut is inderdaad niet nodig om een beroep op godsdienstvrijheid te kunnen doen. De subjectieve wijze waarop wordt vastgesteld of een godsdienst of levensovertuiging al dan niet erkend dient te worden brengt een ongelijkheid met zich mee tussen aanhangers van erkende religies en aanhangers van niet-erkende religies of niet-religieuzen, waardoor artikel 6 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van artikel 1. Zie voor meer informatie daarover http://www.sebisme.nl/afschaffing-godsdienstvrijheid.

Jouw reactie: