Sɛ·bɪs·mə

Een doordachte en onderbouwde visie op de wereld en het leven

Godsdienstvrijheid in strijd met gelijkheidsbeginsel: een betoog voor afschaffing

25 juni
2011

Afschaffing van godsdienstvrijheid, zoals gedefinieerd in artikel 6 van de Grondwet, is wegens overlapping met andere grondrechten mogelijk, en wegens inconsistentie met het gelijkheidsbeginsel zelfs wenselijk. Het eerste lid is overbodig, doordat de lading ervan compleet gedekt wordt door de tekst van artikel 7 (vrijheid van meningsuiting), artikel 8 (vrijheid van vereniging) en artikel 9 (vrijheid van vergadering en betoging). Het tweede lid is discriminerend, omdat het lagere overheden enkel toestaat om op basis van bepaalde criteria grenzen te stellen aan de handelingen en het gedrag van religieuzen, terwijl niet-religieuzen deze bescherming niet genieten.

Artikel 6

Godsdienstvrijheid staat gedefinieerd in artikel 6 van de Nederlandse Grondwet. Het eerste lid luidt: “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Het tweede lid voegt daaraan toe: “De wet kan ter zake van de uitoefening van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Lid 1

Het eerste lid van artikel 6 bestaat uit twee rechten en een beperking: namelijk het recht om een godsdienst of levensovertuiging te belijden, het recht om dit al dan niet in gemeenschap te doen, en de voorwaarde dat hierbij de wet niet wordt overtreden. Al deze elementen zijn echter nadrukkelijk vastgelegd in andere grondrechten, waarmee dit lid compleet overbodig is. Artikel 7 regelt immers de vrijheid van meningsuiting, door te stellen dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om gedachten of gevoelens door de drukpers (lid 1), middels een radio- of televisie-uitzending (lid 2), of door andere middelen (lid 3) te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. In artikel 8 wordt daarnaast het recht tot vereniging erkend en artikel 9 garandeert de vrijheid van vergadering en betoging, ook behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Uit de artikelen 7, 8 en 9 van de Grondwet blijkt dat het een ieder vrij staat om een mening te hebben, deze te openbaren, zich met anderen te verenigen en bij elkaar te komen om een gedachtegoed naar keuze te bespreken, zolang dit alles gebeurt binnen de grenzen van het Wetboek van Strafrecht. De inhoud van het gedachtegoed is daarbij irrelevant: het kan een godsdienst of levensovertuiging betreffen, maar bijvoorbeeld ook een politieke gezindheid, een filosofische invalshoek of een seksuele interesse. Vanwege deze algemene vrijheid om alle mogelijke gedachten en gevoelens behoudens de wet te belijden, voegt een apart grondrecht om specifiek een godsdienst of levensovertuiging te belijden niets toe.

Lid 2

Het tweede lid van artikel 6 stelt dat de belijdenis van godsdienst en levensovertuiging buiten gebouwen en besloten plaatsen niet alleen bij formele wet (zoals geregeld in lid 1), maar ook bij lagere regeling, zoals een Algemene Plaatselijke Verordening, kan worden beperkt. Beperking is echter alleen toegestaan als daarmee – proportioneel en subsidiair – de bescherming van de gezondheid, het belang van het verkeer, of de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden wordt nagestreefd. In alle andere gevallen is het niet toegestaan om regels te stellen waarmee de uitoefening van godsdienstvrijheid wordt beperkt.

De aanhangers van een godsdienst of levensovertuiging genieten daardoor een speciale positie. Hun handelingen kunnen alleen bij gemeentelijke verordening worden verboden als er een reëel beroep op gezondheid, verkeer of wanordelijkheden kan worden gedaan, terwijl het gedrag van een ieder wiens gedachtegoed niet onder een officieel erkende godsdienst of levensovertuiging valt, ook verboden kan worden met een beroep op andere relevante thema’s. De gemeente mag religieuzen dus wettelijk minder verbieden dan niet-religieuzen, en mag volgens artikel 6 dus onderscheid maken tussen individuen op basis van het al dan niet aanhangen van een godsdienst.

Doordat het tweede lid van artikel 6 religieuzen een bijzondere positie en bescherming biedt, is het in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Hierin staat het gelijkheidsbeginsel gedefinieerd: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Dit grondrecht valt niet te rijmen met artikel 6. Ofwel iedereen is gelijk voor de wet en iedereen wordt in gelijke gevallen gelijk behandeld, ofwel er bestaat ongelijkheid tussen mensen en in gelijke gevallen gaat de één vrijuit omdat hij een godsdienstig ritueel uitoefent, en wordt de ander voor dezelfde handeling bestraft vanwege het ontbreken van religieuze motieven. De eerste optie klinkt rechtvaardiger en zal waarschijnlijk op de bijval van een democratische meerderheid kunnen rekenen.

Samenvatting

Godsdienstvrijheid, zoals vastgesteld in artikel 6 van de Grondwet, overlapt voor het eerste deel met andere grondrechten. Het tweede deel is inconsistent met het gelijkheidsbeginsel. Daarom is het niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk om artikel 6 af te schaffen.

Geraadpleegde bronnen

www.ivir.nl/wetten/nl/art6Grondwet.html
www.st-ab.nl/wetgrondwet.htm
resourcessgd.kb.nl/SGD/19851986/PDF/SGD_19851986_0007388.pdf
www.art1.nl/artikel/1198-Artikel_1_van_de_Grondwet

geplaatst onder Politiek
1 reactie op

“Godsdienstvrijheid in strijd met gelijkheidsbeginsel: een betoog voor afschaffing”

  1. Op 30 december 2011 om 09:28 schreef NRPP:

    Het is jammer dat de meeste mensen gelijk bang zijn als ze dit lezen. Ik kan en ben en zal altijd met de hierboven geformuleerde stelling eens zijn. Dank.

Jouw reactie: